Zindelijkheidstraining

Vanaf de leeftijd van 2 jaar kan je proberen te starten met de zindelijkheidstraining. Belangrijk is dat je kind er rijp voor is. Er zijn namelijk drie voorwaarden waaraan je kind moet voldoen voordat het zindelijk kan worden. Je kind moet het lichamelijk al kunnen, het moet het begrijpen en het moet het willen:

  • Je kind moet kunnen voelen dat het moet plassen. Het moet ook lichamelijk in staat zijn de spieren rondom de blaas en de sluitspieren onder controle te houden. Meestal is dat zo als je kind droge periodes heeft van ten minste twee uur. Tussen 2 en 3 jaar heeft je kind de eerste gewaarwordingen van zindelijkheid. Je kind ontdekt dat een natte luier of een volle broek niet prettig aanvoelt en vindt dit tegelijk ook vervelend.
  • Je kind moet een verband kunnen leggen tussen de wc of het potje en moeten plassen. Ook moet je kind al wat taal begrijpen. Het moet weten wat het betekent wanneer je als ouder zegt: “Doe maar pipi in de wc / het potje”.
  • Je kind moet willen meewerken. Aangezien kinderen van 2 à 3 jaar volop hun wil aan het ontdekken zijn, kan dat wel eens een moeilijk punt zijn. Als je kind tijdens de koppigheidsfase voortdurend zijn eigen wil probeert door te drijven, kan het ook zijn macht over de zindelijkheid misbruiken. Het kan bijvoorbeeld weigeren op zijn potje te gaan, louter en alleen om zijn willetje te laten gelden.

 Aan de slag!

Tips om het zindelijkheidsproces te vergemakkelijken

  • Zodra je kleuter ongeveer twee uur een droge pamper heeft kan je de pamper uitlaten. Het is belangrijk dat je kleuter leert voelen dat hij/zij een natte broek heeft. Ook al brengt dit heel wat was met zich mee! Ook op school willen we je kleuter zo snel mogelijk zonder pamper zien. We zien liever geen pampertrainertjes.
  • Help je kind het verschil tussen nat en droog te leren. Dat kan je doen door je kind natte en droge zaken te laten benoemen.
  • Leer je kind woorden aan waarmee het kan aangeven dat het zich nat voelt worden.
  • Beloon droge broeken per halve dag met een stikkertje op een kaart of …
  • Laat je kind ervaren dat er uitwerpselen bestaan, eerst in het lichaam en daarna erbuiten. Laat je kind bijvoorbeeld zien dat ieder dier andere uitwerpselen heeft. Dat kan je gaan bekijken op een kinderboerderij.
  • Lees samen met je kind een boek over de soorten kaka. Dankzij dat boek kan je peuter misschien makkelijker praten over zijn eigen kaka of over de angstgevoelens die hij heeft om naar het toilet te gaan.
  • Help je kind drukneigingen te onderscheiden, zowel binnen als buiten hem: wangen blazen, stampen met de voeten, met kracht iemand wegduwen, enz.
  • Stimuleer het lichaamsgevoel van je kind door middel van spelletjes, knuffels, stoeien, enz.
  • Bij angst voor “vieze” dingen: speel allerlei kliederspelletjes (met modder, vingerverf, enz.).

Opnieuw in de broek plassen

Een belangrijke nieuwe stap voor je kleuter is de stap naar school. Dit kan spanningen of angsten met zich meebrengen. Deze spanningen of angsten kunnen een invloed hebben op de zindelijkheid van je kind. Opnieuw in de broek plassen of bedplassen is heel normaal. Dat gaat vanzelf weer over.

Pipi en kaka

Probeer al dezelfde ‘taal’ te gebruiken als op school:

“Wij gaan ‘plassen’ of wij gaan ‘pipi’ doen”
“Moet je ‘kaka’ doen?
“Wij gaan naar het ‘toilet’ in de badkamer.
“Is er nog toiletpapier?”
“Wij vegen de ‘poep’ schoon”

Stoelgangproblemen

Het gebeurt al eens dat peuters hun ontlasting ‘ophouden’ op school. Soms willen ze bij thuiskomst opnieuw de pamper aan en doen dan kaka in hun pamper. Praat erover met de kleuterjuf en via een beloningsysteem werken we samen aan deze zindelijkheidstraining.